← Kennisbank
Wet DBA25 mei 2026

De zeven criteria die de Belastingdienst gebruikt bij schijnzelfstandigheid

Hoe beoordeelt de Belastingdienst of jij werkelijk ondernemer bent of stiekem werknemer? Per criterium uitgelegd: wat de wet zegt, hoe het in praktijk wordt toegepast, en wat je kunt doen om je positie te versterken.

De Wet DBA en de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad bieden geen harde checklist voor wanneer een opdrachtrelatie schijnzelfstandig is. Het is altijd een holistische beoordeling waarbij meerdere factoren samen worden gewogen. Hieronder de zeven criteria die in de praktijk het zwaarst tellen — met per criterium een uitleg en concrete acties om jouw positie te versterken.

1. Gezagsverhouding

Wat de wet zegt: is er sprake van een gezagsverhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer? Met andere woorden: bepaalt de opdrachtgever hoe, wanneer en waar het werk wordt uitgevoerd?

Hoe het wordt toegepast: de Belastingdienst kijkt niet zozeer naar de contractuele afspraken als wel naar de feitelijke uitvoering. Krijg je dagelijkse instructies? Word je aangestuurd door een teamleider? Moet je je houden aan de werktijden van de opdrachtgever?

Wat je kunt doen:

  • Leg in je opdrachtovereenkomst expliciet vast dat jij bepaalt hoe het werk wordt uitgevoerd.
  • Spreek af op resultaten en mijlpalen, niet op aanwezigheid.
  • Vermijd dagelijkse standups in het team van de opdrachtgever. Een wekelijkse afstemming op je eigen voorwaarden is acceptabel.
  • Documenteer je vrijheid: bewaar voorbeelden waaruit blijkt dat je zelfstandig keuzes maakt.

2. Persoonlijke arbeid

Wat de wet zegt: een werknemer moet het werk persoonlijk verrichten. Een ondernemer mag in principe vervanging inzetten.

Hoe het wordt toegepast: als jij volgens contract of in de praktijk moet verschijnen — en niet iemand anders mag sturen — wijst dat op een arbeidsovereenkomst. Een vrij vervangingsrecht is een van de duidelijkste signalen van ondernemerschap.

Wat je kunt doen:

  • Beding in je overeenkomst het recht op vervanging, eventueel met kwalificatie-eisen.
  • Maak gebruik van dat recht als de gelegenheid zich voordoet — zelfs incidenteel. Eén keer een collega-ZZP'er inzetten is een sterk signaal.
  • Vermijd contractclausules zoals "de opdrachtnemer levert persoonlijk de prestatie".

3. Vergoedingsmodel

Wat de wet zegt: krijg je een vergoeding die op salaris lijkt (vast bedrag per maand) of op ondernemersinkomen (gekoppeld aan prestatie, deliverable of gewerkte uren)?

Hoe het wordt toegepast: een vaste maandvergoeding zonder relatie tot resultaat of geleverde uren is een van de zwaarste signalen. Een retainer met vast aantal uren is borderline. Project-based of "uur na afloop"-modellen zijn veiliger.

Wat je kunt doen:

  • Stap waar mogelijk over op deliverable-tarief: factureer per opgeleverd resultaat (campagne, ontwerp, rapport).
  • Of: gefactureerde uren na afloop — voor de werkelijk gewerkte uren, niet voor een vooraf afgesproken vast aantal.
  • Vermijd: "vast bedrag van €X per maand voor X uur werk".

4. Duur van de relatie

Wat de wet zegt: een opdrachtrelatie is per definitie tijdelijk. Een arbeidsovereenkomst is voor onbepaalde tijd of voor een afgebakende periode.

Hoe het wordt toegepast: langdurige onafgebroken relaties trekken aandacht. Met name relaties van meer dan 2 jaar, zonder duidelijk gemarkeerd einde of evaluatiemoment, worden kritisch bekeken.

Wat je kunt doen:

  • Werk met overeenkomsten met einddatum — bijvoorbeeld 6 of 12 maanden, met heronderhandeling daarna.
  • Evalueer expliciet bij verlenging: andere voorwaarden, ander tarief, ander scope.
  • Documenteer pauzes: ook één week zonder facturen kan onderbreking aantonen.

5. Ondernemersrisico

Wat de wet zegt: een ondernemer draagt risico. Een werknemer niet (of in veel mindere mate).

Hoe het wordt toegepast: de Belastingdienst kijkt naar meerdere klanten, eigen investeringen, verzekeringen (AOV, beroepsaansprakelijkheid), en of je werkt op resultaatbasis (geen werk geleverd = geen factuur).

Dit is misschien wel het belangrijkste criterium. Zonder zichtbaar ondernemersrisico ontbreekt het meest fundamentele kenmerk van zelfstandigheid.

Wat je kunt doen:

  • Sluit een AOV af. Niet alleen om je risico te dekken, maar ook als bewijs dat je dat risico draagt.
  • Sluit een beroeps- of bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering af.
  • Werk actief aan meerdere klanten — ook al is de tweede klant klein.
  • Investeer in eigen apparatuur, software, opleiding. Documenteer die investeringen.
  • Werk waar mogelijk op resultaatbasis of "no cure, no pay"-achtige afspraken.

6. Inbedding in de organisatie

Wat de wet zegt: een werknemer maakt deel uit van de organisatie van de werkgever. Een ondernemer levert van buitenaf een dienst.

Hoe het wordt toegepast: gebruik je tools, e-mail, werkplek van de opdrachtgever? Sta je vermeld op de website als "team"? Doe je mee aan personeelsuitjes? Heb je een kantoorpas?

Wat je kunt doen:

  • Gebruik je eigen apparatuur (laptop, telefoon).
  • Werk met je eigen e-mailadres (@stipto.nl, @jouwbedrijf.nl). Vermijd een @klant.nl mailaccount.
  • Werk waar mogelijk op je eigen werkplek of in een coworking space.
  • Vermijd vermelding op het organogram, in interne kanalen, of als "team member" op de website.
  • Sla personeelsuitjes en bedrijfsfeesten over (of betaal je eigen consumpties).

7. Concentratie van omzet

Wat de wet zegt: geen apart wetscriterium, maar wel een belangrijke indicator die de Belastingdienst gebruikt. Iemand die voor 95% van zijn omzet afhankelijk is van één opdrachtgever lijkt economisch op een werknemer.

Hoe het wordt toegepast: boven 70-80% concentratie ga je opvallen. Boven 90% is dit één van de eerste dingen die de Belastingdienst opmerkt.

Wat je kunt doen:

  • Zorg dat geen enkele opdrachtgever meer dan 70% van je omzet uitmaakt.
  • Bouw actief aan een tweede en derde klant, ook al zijn die in absolute zin klein. De diversificatie zelf telt.
  • Documenteer acquisitie-inspanningen: voorstellen die je hebt ingediend, gesprekken die je hebt gevoerd, marketing die je doet.

De holistische beoordeling

Geen van deze zeven criteria is op zichzelf doorslaggevend. De Belastingdienst weegt ze in onderlinge samenhang. Een ZZP'er met één dominante opdrachtgever maar overduidelijk eigen tools, eigen verzekeringen, vrije werkindeling en deliverable-tarief is veiliger dan iemand met meerdere klanten die in alle opzichten als werknemer functioneert.

De combinatie is wat telt. Daarom werken we in onze Wet DBA-check met een gewogen score waarin alle zeven criteria meedoen — en waarbij je per criterium concrete uitleg en remediation tips krijgt.

Wat de Belastingdienst niet gebruikt

Ook handig om te weten: een paar dingen die geen rol spelen in de beoordeling:

  • Hoogte van het uurtarief. Een hoog tarief is geen vrijbrief. Een laag tarief is ook geen automatisch probleem (al komt daar met het rechtsvermoeden onder €38/uur verandering in).
  • Type werk. Of je nu programmeert, schrijft of bouwt — de criteria zijn dezelfde.
  • Naam van het bedrijf. Een KvK-inschrijving als eenmanszaak of BV is geen bewijs van ondernemerschap als de werkrelatie er anders uitziet.
  • Wat partijen willen. Dat jullie afspreken dat het een "opdrachtrelatie" is, is niet bepalend. De feitelijke uitvoering is leidend.

Dit artikel is een informatieve samenvatting van de criteria die in de praktijk worden gebruikt. Geen fiscaal of juridisch advies. Voor je specifieke situatie: raadpleeg een fiscalist of jurist.